(Een korte filosofische inleiding met en tot een breed-politieke positie over roken)
Stoppen met roken met Hannah Arendt:
Opletten voor politieke nevenverschijnselen
De sigaret is dood. Leve de sigaret? Want wat een stabiliteit was het wel niet, die ons land bewierrookte! Wat een grandeur! Wat een gewiekstheid! Aan de ene kant bood de sigaret immers een soort portaal doorheen tijd en ruimte, voorbij alle verschillen van leeftijd, sekse, klasse of cultuur. Allen samen, buiten rokend. Om daarna weer met schild geharnast en met zwaard bewapend de arena binnen te treden waar een symbolisch (!) spel op leven en dood beslecht werd, alsof het eigen leven er van afhing. En om soms te beseffen – gedurende al die onderhandelingen, gesprekken, procedures en protocols – dat men nog lucifers op zak heeft van de ‘vijand’ zelve.
Want naast de grandeur en de gewiekstheid waarmee de sigaret ons land stabiliteit verleende, zat er ook een iets duisterder kantje aan die stabiliteit. Een duisternis die echter, en hier kom ik later op terug omdat het razend belangrijk is, niet uitsluitend verbonden is met ons rookgedrag. Het duistere kantje van de alle verschillen doorschrijdende rookpauze was namelijk dat slechts bepaalde sommigen konden genieten van hun verslaving. Voor vele anderen, met name, al diegenen die binnen zaten te wachten op de rokers (en hun privileges, want verslaafd) was de rookpauze niets meer dan een frustrerende machtsgreep van enkele coole kikkers die de moed niet hadden om, ondanks hun vele klachten over proberen te stoppen met roken; de cold turkey van de nicotineRausch te ondergaan. De rokers sloten inderdaad de niet-rokers uit, door – voor de niet-rokers binnenin – onzichtbare allianties te smeden tijdens hun rookpauze tegen het voorspelbare gezaag en geklaag van de al te nuchtere wachtende mensen binnenskamers.
Dit alles zou echter ‘verleden tijd’ zijn. Zoals wij allen weten mocht men sinds 1 januari 2006 niet meer roken in werkruimten. Deze maatregel verscheen immers definitief in het Belgische Staatsblad van 2 maart 2005 door het Koninklijk Besluit van 19 januari 2005. Daarbij werd echter wel opgemerkt dat afzonderlijke rookruimtes nog toegelaten zijn na overleg met de werknemers en dat roken in de open lucht zelfs toegelaten blijft. In publieke ruimtes is het echter dan weer wel verboden te roken en vanaf 1 januari 2007, iets wat ons meer aan het hart ligt, worden de regels ook verstrengd in cafés en restaurants. De vraag die op het puntje van onze tong ligt is natuurlijk: zijn wij daar blij mee? Zoals alle belangrijke dingen in het leven: ja en neen.
Sinds 1 januari laatstleden zal elk storend rookgedrag immers door de Rijkscontroleurs zwaar beboet worden en wordt zo een agressieve campagne mogelijk door de niet-rokers voor de niet-rokers, die al te lang hun zuivere longen aangetast zagen door het passief rookgedrag van dat stelletje wolkenblazers. Halleluja! Uiteindelijk zal het recht zegevieren en valt het ‘cordon insanitaire’ rond de rokers weg!
Althans, dat is wat een beginnende politicus erin zou zien. Een meer beslagen mens ziet echter geen machtsopheffing, maar – zoals het jaar en dag is verlopen – een machtsverschuiving. Want, en nu kom ik terug op wat ik voorheen het duistere kantje van de tabaksstabiliteit had genoemd, een totale verlichting is onmogelijk. Er zal altijd wel iets zijn dat in de schaduw staat, omdat sommigen in de spotlight staan. Er zal met andere woorden altijd een systeem van uitsluiting aan het werk zijn, ook nadat men de vermoedde verdachte heeft onthoofd, met name, in actu de sigaret. Ook nadat de laatste sigaret is uitgegaan zal er met andere woorden een onderscheid heersen tussen zij die verslaafd zijn en zij die door de eerste geïrriteerd geraken. Dat is geen cynisme. Dat is Realpolitieke herinnering aan hoe het voor mensen belangrijk is om op sommige momenten hun sociale masker af te zetten opdat ze het weer kunnen opzetten. Een gedaantewisseling die echter geïncarneerd was in een sigaret. Door samen even te roken kon men nog beter elkaars verschil aanvoelen.
Wanneer nu die rokerige gedaantewisseling echter verboden wordt van staatswege, dan ontzegt men een onnoemlijk aantal rokers de toegang tot een ontlasting die echter levensnoodzakelijk is om in verschil samen te leven. Met als mogelijk gevolg dat het verschil tussen rokers en niet-rokers niet langer zal zorgen voor een interbellum (‘mooie tussenruimte’) vóór, tijdens of na een bijtende polemiek. Veeleer zullen de niet-rokers hun moralistische slag dan thuis halen en van het vermenselijkende interbellum een onmenselijk intermalum (‘een tussenruimte die steekt’). Wanneer er immers geen plaats of tijd is waar vijanden onder een hogere macht staan (zoals die van een gedeelde nicotineverslaving), dan dreigt het symbolische spel op leven en dood te verworden tot een strijd in vlees en bloed. Dan vergeet men het spelkarakter van de politiek. “Maarâ€

