Onbereikend
Ik werd afgeleid door een geur die ik vergeleek met de geur van verse wafels.
Uitdrukkingloos, met ogen als waren ze er niet keek hij door me heen.
En toen ben ik doorgegaan, lopend omdat ik niet wist wat te voelen.
Buiten mezelf aangekomen ben ik gaan liggen en heb voor het eerst de ruwe nerven van de houten vloer gevoeld. Dagen later herinnerde ik me de geur van voorheen en ik ben erin gekropen en heb hard gesnoven.
Rotte appelen vielen van de bomen toen ik me omdraaide… hij was er weer. Hij was er maar zijn ogen nog steeds niet. Ik staarde naar donkere holtes van waar normaal de blik begint.
Zijn omtrek stond scherp afgetekend tegen een zwakbelichte achtergrond die er eigenlijk niet was! En weer voelde ik de ruwe nerven van eikenhout…
De grond zoog me naar beneden, mijn inmiddels als beton wegende benen verloren hun laatste gevoel. Ik stormde vanbinnen, er groeiden doornen om me heen en traag werd ik meegezogen naar het fletse donker van de diepte. Ik proefde de bittere smaak van droge aarde,
de hitte stond me aan de lippen maar er stond een beeld op mijn netvliezen geverfd.
Met grove halen had men zijn figuur geschilderd, maar niet volledig.
Die ogen! Die verdoemde ogen die er nooit waren geweest… en weer rotte appelen en ruwe planken, en alweer de herinnering aan wat nooit was.
Zijn aanwezigheid op mijn netvlies ging gepaard met een vreemdsoortig geruis. Te droog voor muziek maar te nat voor stemgeluid.
Momentenlang probeerde ik te ontsnappen aan de weeë geur van het rotte fruit,
ik probeerde te vergeten wat nooit was geweest en ik poogde de eikenhouten splinters die mijn handen tot bloedens toe doorkliefden niet te voelen. Ik negeerde de doornen, de geur en het gevoel van het zijn.
Ik werd afgeleid door een geur die ik vergeleek met de geur van verse wafels, en daarna liep het mis! Ik week af van het gewone en verdwaalde in mezelf!
Mist hing als spinrag over de wegen, gedachten, en over de memoires aan “ooitâ€
